De Boeddha-natuur is niet iets waar ik aan vasthoud, maar een pad om te ontdekken.
Het Mahayana-boeddhisme zegt dat alle levende wezens de Boeddha-natuur hebben. Dit betekent dat niemand in de steek wordt gelaten en dat iedereen het zaad heeft om naar verlichting te gaan. Het zorgt ervoor dat ik het idee loslaat dat ik een tekortschietend persoon ben en dat verlichting het werk is van een speciaal persoon ver weg.
Geloven in de Boeddha-natuur betekent echter niet dat je de beoefening moet stopzetten door te zeggen: ‘Het is al gedaan.’ Het gaat erom te geloven dat er helderheid in mij is en mijn geest te cultiveren om die helderheid te ontdekken die nog niet is onthuld. Het gaat niet om het verwerven van iets nieuws van buitenaf, maar om het verwijderen van wat verduisterd is en het bevestigen van het oorspronkelijke pad.
Ook hier is er iets om op te letten. Als je vasthoudt aan de Boeddha-natuur alsof het een entiteit is die nooit verandert, mis je misschien het niet-zelf- en middenpad waar het boeddhisme over spreekt. Boeddha-natuur is geen woord dat een grote uitspraak doet over ‘het zelf dat kan worden gegrepen’. Het is eerder een lering die ons in staat stelt onze obsessie met het gefixeerd zijn los te laten en duidelijk te zien hoe de geest binnen relaties ontstaat en verdwijnt.
In de praktijk moeten deze twee zaken bij elkaar gehouden worden. Eén daarvan is het diepe vertrouwen dat alle wezens het potentieel voor verlichting hebben. De andere is de eerlijke praktijk van het beheersen van de geest en deze dag na dag te onthullen, zonder die mogelijkheid als de jouwe te beschouwen.
Sommige mensen kunnen meteen geloof ontwikkelen. Sommige mensen kunnen met slechts één kleine kans op het pad van spirituele oefening beginnen. Het belangrijkste is om die kans te grijpen, je geest leeg te maken en je woorden en daden beetje bij beetje te veranderen. Wanneer het geloof in de Boeddha-natuur het leven lichter maakt en tot bodhisattva-acties jegens anderen leidt, krijgt dat geloof de goede richting.
Daarom mogen de woorden ‘Ik ben al een Boeddha’ geen zin van trots zijn. Het zou een toewijding moeten zijn om te oefenen: "Ik zal leven terwijl ik de helderheid in mij ontdek." Boeddhaschap is geen naam die mij stevig vestigt, maar een lamp die mij in staat stelt gehechtheden los te laten en het pad te bewandelen.
Het gezegde dat alle levende wezens de Boeddha-natuur hebben, doet ons geloven in de mogelijkheid van verlichting. Dat geloof mag echter geen gedachte worden die vasthoudt aan een vast ego. De Boeddha-natuur is niet iets dat ik bezit; het is een helder pad dat ik kan ontdekken door gehechtheden los te laten en mijn geest te cultiveren.